.

29. jul, 2015


Door het oog,
door de naald,
omhoog, omlaag,
haven in en uit
en weer in.

Kuieren langs de vismarkt,
ogen die je dood aankijken,
zich geroosterd laten smaken,
ik priem ze tot drie in getal.

Als zij s’ avonds samen komen, hier,
in een liederend protest gebed,
of gewoon, om te ouwebetten,
met een glas vol vertier,
sluit ik mij met een gerust hart bij hen aan.

Meng mij als bekendste onbekende
onder hen, zonder uitgeknepen gezicht,
zonder pet en hand ophouden,
zonder opgevouwen handen van schijnheiligheid.

Zolang maar vervuld mens ogen blijven.


© Rudolf

28. jul, 2015


Na hoog met de Fløibanen,
heb ik mijn pen uitgeleend
en heb daar leren zingen,
aan de reling naar omlaag.

Ik zong daar dat heel de mensheid
in vrijen ligt, in de vele bio gaarden,
elke kreet een verrukking,
miljarden gelukkigen in mijn hoofd.
De kinderen in hun ontwikkeling vrij
en veler idee in oprichting.
Elke madam zwanger van de aard.

Elke blik een orgasme.

Ik werd wakker op een galoperende merrie
en boerde de glazen naar omhoog
mijn neusgaten uit.
Een eerste licht bleek niet aan mij besteed.
Mijn leden sliepen hevig in en de wekker
rammelde langzaam een gat in het raam,
ik huiverde klein ogend wakker.

Vis wordt zuiver betaald vandaag.


© Rudolf

27. jul, 2015


Ontscheping,
na een hijs van twintig ronden.
De klok werd wekker,
wakker beende ik de nacht vol in zee
en zwom de golven klein.

Geen windveer meer in zicht.

Bergenhaven, de stad, het centrum.
Een hotel er uitgelicht.

Bryggen en vismarkt passen in één raam,
regen breekt het spel van samenzijn,
onder een rijke sterrenhemel.

Lieflijk schoon, gerieflijk de wijn,
Sangria en wat Rum,
een dot zangers
en gedrum.

De wolken gaan los.

Met mijn bed in de wachtstand,
vind ik vloer en slaap uit mijn roes,
in één lange ruft.
De ramen raken bol van de spanning.

Ik vlucht naakt Unesco in.


© Rudolf

25. jul, 2015


Op weg, in de auto,
op reis, alleen,
met twee.

Mijn bovenkamer loopt leeg,
alleen.

Ik bijt mijn tanden in het rad
en glimlach breed uit de maan
op de aardse nacht,
vervuilt van neonlicht.

Ik volg de witte strepen
en eet de vormloze zichten.

Ga richting waarin ik in gedachten
reeds verblijf.
Als ik me vergankelijk heb bevrijd,
van groot worden.

Van lieven en dienen.

Ik slaap er de wateren
in en uit.


© Rudolf