.

6. aug, 2015


Ik loop blindelings een dal in,
val met neus en boom in een reuselhoop.
Bovenlangs smeekt de wind mijn benen,
de paden vallen in de wortels van het bos.

Het avondgebed is reeds gebeente.

Kriskras kruisen elkaar de vruchten
naar een nieuwe generatie,
vervallen tot humusrijke aarde en dit elke malen.

Van God los.

De seizoenen verdoen zich in het ritme van
dagen en nachten, zwak licht overheerst lang deze stilte.
Sneeuw breekt elke winter de sterrenbeelden open.

Ik deken aards zomergebladerte naar mij toe.


© Rudolf

4. aug, 2015


Een hond is kei een plons en ringend water
tegelijk, richting horizon.

Jij bent al nader bij het dichten dan waarheen jijzelf
ooit geraken zal, het feest begint…
De geest.

Geen hoek is mij te klein, te groot.
Niets dan blootsvoets en blootsvoets te gaan,
daarheen, daaro…

Met een kano.
Wachten op een hernieuwde zondvloed.
Op voorhand lief oogzilt drogend.

Ik ben een kwispel en eet rendiergras
tot in de verste verten,
schuil nabij een lange gedachtenval,
schuif daar mijn tenen over de schreef.

Ik eet naalden, zover mijn benen mij dragen.
Ik eet graniet, zink naar de diepste diepten daarmee.

Ik verteder horizonten.

Ik verteder…


© Rudolf

2. aug, 2015


Ik wandel als een spons onderlangs laaghangende takken.
Ik sla de spanen diep de Fjorden in,
roei de vis het water uit, verdoofd
de boot in, geroosterd en ontgraad.
Ik ren een berg tegemoet, mijn schoenen vangen lood,
schuifelen langs de afgrond.

Vliegpak vliegen, als een vleermuis, waanzinnig scherp!
Zomerskiën in bikini, bij een graad of negen,
de zon kaatst tweeledig op de benen.
Op spelden rijden tot in het oog van een berg en uit,
het uitzicht altijd verrassend.

Stille wateren vallen in woeste stromen tussen uitgesleten graniet,
zilver en goudaders zijn hier niet,
olie en gas als gemeenschappelijke schat.

In een rubberboot stroomafwaarts dalen,
op het ritme van het bruisen,
’t schuim is zuivere wijn.

Stroomopwaarts de run volgen van het kuitschieten.
De levengevende dood daaropvolgend.


© Rudolf

31. jul, 2015


De Noor van puur natuur,
zonder verknechting,
niet verknocht aan de markt die slaat,
ontslaat, genoeg is nooit genoeg.

De Noor kweekt z’n framboos
z’n aardbei in voller aard,
volle vruchten zoet
van onbezoedelde koude gronden.

Ze lopen in en uit als vriendelijke praters, lezen,
spelen een spel, met en als grote en kleine kinderen,
het breedbeeld geval staat daarbij uit.
Geen onvertogen woord valt, geen blèrende verwenmonden.

Blootsvoets lopen, een aard ervaren, o God,
van hoever ben ik gereisd naar hier en hoever nog te gaan,
voor mezelf, voor jou, moeder!
Nog zeven levens te gaan en geen connectie verspeeld.


© Rudolf

31. jul, 2015


Sprekende gitaargeluiden.
Snaren die de bladeren strelen,
van de gewassen,
bij een glas wijn en een eindig uitzicht
op deze hemelse aard.

De spanten van dit tijdelijk huis
dansen mee.

En hier, niet ver van de zee,
hier geraak ik gewis niet meer uitgezanikt.

Hier beveelt mijn brein mijn hand
beveelt mijn pen, beveelt…

Na weer een nacht van volle flessen,
voor onverwachte gasten bestemd;

ik tel ze, de glazen, als krenterige Nederlander
tel ik ze tot het licht aan is en uit.
Kort, te kort zingt hier de zomer luid.

De aarde, deze aard, de som van alle geuren,
alle kleuren.

Noren zijn maar gelukkige mensen.


© Rudolf