3. jul, 2015

07. Jong van geest



Nog jong van geest
droom ik dat ik er opeens verscheen,
op het door de jaren heen hard gepolijst gesteente,
aan het eentonig zingende water.
Zijn val breekt er mijn stem in tweeën.
Zij vonden daar geen grond toen ik weer verdween.

Nog jong van geest
droom ik dat ik daar op een veranda sta
te spelen met een vlucht van meeuwen,
zij er mijn broodvingers betwisten.
Dan snellen naar de kiftende jongen.
Zij hun honger daar schrokkend in ontvangst nemen.

Nog jong van geest
droom ik dat ik er slaap,
als herten in de verte er luidkeels burlen over het land,
het noorderlicht de spanten van de sponningen tilt,
van het huis van waaruit we ’s nachts het maanlicht beminnen,
door het immens slapend dakvenster.



© Rudolf