*In bewerking*

21. mei, 2015

 

1.
Uiteindelijk vertrokken, met aan mijn zijde een onzichtbare slaap. Eindelijk is de geest uit mij getrokken, mijn heem in een overjarige oppas gegoten en ik wil niet meer terug, voorlopig.
Ik volg een schootveld vol neon en kraakwitte lijnen, verdwijnend in een gulzige nacht. Met mijn min negen ogen verorber ik de donkere horizon. Althans, ik doe daar steeds een poging toe.

Ik ben bijna zestig jaar jong en ik neem mijzelf steeds weer bij de horens. Dat hoort bij mij. En ik ben spaarzaam vermogend, een geruststellende gedachte. Ik heb dan per slot weinig te verliezen.
Boven mij strekt zich uit een onmetelijk heelal, een soort van soep die tegen pruttelt. Vooralsnog zijn deze oerschitteringen voor ons mensen ontoegankelijk, al lijkt onze toegankelijkheid niet meer al te lang te gaan duren. De techniek draait immers op volle toeren. Als we niet vallen in onze eigen hoogmoed, welk wellicht zal uitlopen op een verwoestende nederlaag voor de mens. En onze enige moeder!
Want zo, op een verwoestende manier verdergaand, knikken wij onze eigen spiegel aan diggelen. Nee, ik vlucht niet, ben niet monddood, doe niet aan achterkamergeluiden, wandelgangen gekreun, nee, ik leef, niet dat ik denk dat iemand mij begrijpt. Begrijpt u?
Wij mensen slapen steeds korter in elkaar, om onszelf dan weer dagelijks te verlaten, als lieden van een economen civilisatie. Al lijken we steeds vaker ten onder te gaan aan een papieren ontwaarding waar we dagelijks breeduit aan worden herinnerd. Wij bevinden ons midden in een schijn van veiligheid.

Op weg in mijn vierwielen ros, gemaakt in strak getrokken staal. Op weg, ver weg van hier, weg van een gekte. Op weg naar rust en ruimte, naar diep donkere stilten. Diepdonkere kobaltmeren en ijzig besneeuwde graniettoppen. Richting noord. Richting ergens daar over zee. Waar Elanden wachten en waar kudden Rendieren zichzelf koelen boven zomerse ijs en sneeuwresten.
Daar, in die bossen, die stilte gebieden, daar kunnen we weer een beetje tot ons zelf komen, als eenzelvige dromer. En deze stilten bevlogen op het netvlies printen, zonder de altijd oeverloze stemmingmakerij, van een manipulerende en machtige media.
En ik zie er niet als een berg tegen op, ik draai me niet meer om voor een hazenpas, om dan mijn moed te vondeling te leggen. Neen, ik heb mijn koffers veilig opgeborgen en volg ras de gebiedende lijnen strak. En als ik daar eenmaal ben, daar de ultieme stilte proef, zingt er een heerlijke Griekse wijn door mijn keel. Rood met daarnaast een broodje. Proost alvast.